Kameraadschap, zonder mee te huilen

Waarom is een goede klik tussen patiënt en behandelaar zo belangrijk? Hoe komt zo’n klik tot stand? Wat vraagt dat van zorgverleners en cliënten en wat levert het op? In deze interviewserie vertellen behandelaars en patiënten over hun ervaringen. Dit keer Fien Vermeulen en hematoloog Rob Fijnheer.

Op haar 21ste kreeg Fien Vermeulen, nieuwslezeres bij QMusic, te horen dat ze kanker had. Ze prijst zich gelukkig dat ze het bijzonder goed kon vinden met haar behandelend arts, hematoloog Rob Fijnheer. In een tweegesprek ontrafelen de twee waarom het zo goed klikte. “Weet je nog dat je me keihard uitlachte toen ik mijn knalrode pruik op had?”

Waarom is een goede klik tussen patiënt en behandelaar zo belangrijk? Hoe komt zo’n klik tot stand? Wat vraagt dat van zorgverleners en cliënten en wat levert het op? In deze interviewserie vertellen behandelaars en patiënten over hun ervaringen. Dit keer Fien Vermeulen en hematoloog Rob Fijnheer.

Fijnheer_Vermeulen
Rob Fijnheer en Fien Vermeulen

Op haar 21ste kreeg Fien Vermeulen, nieuwslezeres bij QMusic, te horen dat ze kanker had. Ze prijst zich gelukkig dat ze het bijzonder goed kon vinden met haar behandelend arts, hematoloog Rob Fijnheer. In een tweegesprek ontrafelen de twee waarom het zo goed klikte. “Weet je nog dat je me keihard uitlachte toen ik mijn knalrode pruik op had?”

In het restaurant van het Meanderziekenhuis in Amersfoort begroet een stralende jonge vrouw  hematoloog Rob Fijnheer.  ”Hé Fien, wat leuk om je te zien”, zegt hij en geeft haar een high five. Het is alweer vier jaar geleden dat Fien Vermeulen de verpletterende diagnose kreeg: “Je hebt non-hodgkin oftewel lymfklierkanker”. Na een intensieve behandeling is de kanker succesvol bestreden. Ze heeft haar leven weer opgepakt. Ze vond een baan waarin ze zich helemaal kan uitleven, gaat uit en sport fanatiek. “Maar die heftige periode blijft in mijn rugzak zitten.”

De twee halen herinneringen op aan de novemberdag in 2012, toen Fien het slechte nieuws te horen kreeg. Benauwd en hondsberoerd was ze op de Spoedeisende Hulp van het Meander Ziekenhuis beland. Eerst snapte geen arts wat er aan de hand was, maar na een reeks onderzoeken kwam een zenuwachtige arts-assistent haar in de wachtkamer vertellen wat de diagnose was.

Fien Vermeulen:  “Ineens was ik Fien die dood kon gaan. Ik moest direct geopereerd worden, omdat er teveel vocht bij mijn hart zat.” “Dit gaat erg veel pijn doen”, zei de arts-assistent. Ook ving ze op dat het al een tijd geleden was dat de chirurg een soortgelijke operatie had gedaan. “Ik voelde de schrik bij de dokters. Begrijp je dat ik volledig in paniek raakte?”

Rob Fijnheer: “Ja, een slechtnieuwsgesprek in de wachtkamer, dat is vreselijk. Ook een zenuwachtige arts-assistent moeten wij zien te voorkomen.”

Vermeulen: “Toen ik uit mijn narcose ontwaakte, stond jij aan mijn bed. ‘Fien, we gaan dit samen doen’, zei je. Je was volkomen rustig, keek me aan en ik dacht: ja, ik durf mijn leven wel in jouw handen te leggen. De andere artsen waren stuk voor vreselijk aardig en deskundig. Maar met jou was het toch anders. Vanaf het eerste moment had ik het gevoel dat je er speciaal voor mij was, om te zorgen dat ík beter werd. Hoe krijg je dat voor elkaar? Je had misschien al vijftien andere patiënten gezien die dag.”

Fijnheer: “Rust uitstralen is belangrijk, ik probeer de paniek zoveel mogelijk uit te schakelen. Daarbij helpt het enorm dat ik veel van het ziektebeeld weet en patiënten gedurende de hele behandeling kan begeleiden. Bij iedere patiënt realiseer ik me dat we lang door moeten met elkaar. Het klinkt heel gek, zeker bij kanker, maar ik moet het ook leuk hebben met mijn patiënten. Je bent niet mijn dochter, maar wel iemand met wie ik veel mee ga maken. Dat betekent dat je een relatie met elkaar moet krijgen. Vandaar dat ik al tijdens het eerste gesprek iets van vertrouwelijkheid probeer te creëren.”

Vermeulen: “Jij bent een mensenmens, dus misschien gaat dat je gemakkelijk af. Maar heb je ook een soort lijstje, wat je in je hoofd afloopt?”

Fijnheer: “Er zijn een paar simpele voorwaarden: mensen aankijken, meeleven, niet te dokterachtig zijn en je een beetje verdiepen in iemands persoonlijke verhaal. Ik zorg ook altijd dat ik het dossier heb gelezen en de uitslagen ken, voordat iemand binnenkomt.”

Vermeulen: “Niets zo erg als een arts die het dossier pas openslaat als je al binnen bent. Dan voel je je echt een nummer. En verder is het dus gewoon een kwestie van normaal doen, dat je als arts niet op een voetstuk gaat staan.”

Fijnheer: “Patiënten vanaf het begin bij de voornaam noemen hoort daar voor mij ook bij. De meeste mensen, tot een jaar of 65, stellen dat zeer op prijs. Het laat grenzen vervagen. Natuurlijk ga ik niet tutoyeren met iemand die iets anders verwacht of bij eenmalig kort contact. Maar ik probeer altijd te schakelen: hoe kan ik door kleine dingen laten blijken dat iemand zich gezien voelt?”

Vermeulen: “Ik vond het prettig dat je mij direct bij mijn voornaam noemde. Andersom zou ik dat niet snel doen: ik zeg liever dokter Fijnheer.  Dat je je gezien voelt zit ook in andere dingen: bijvoorbeeld dat een arts oog heeft voor de mensen om je heen. Mijn moeder ging altijd mee naar uitslagengesprekken. Als jij zag dat zij het moeilijk had, besteedde je daar aandacht aan. De verpleging deed dat ook als ik weer eens in het ziekenhuis lag. Dan gingen ze even bij mijn moeder kletsen of een kop koffie voor mijn vader en mijn zus halen.”

Fijnheer: “Voor de mensen die eromheen staan is het misschien nog wel moeilijker dan voor de patiënt zelf. Die zien alles en kunnen niets doen.”

Vermeulen:  “Samen kunnen lachen was voor mij ook belangrijk. Ik herinner me dat je me een keer heel hard hebt uitgelachen over een van mijn pruiken. Ik had er heel veel en probeerde ze allemaal uit. Die dag had ik een knalrode op, met heel lang haar. Ik vond het grappig dat je zo moest lachen, maar kan iedereen daar tegen?”

Fijnheer: “Nee, maar dat voel je snel genoeg aan. Het past niet bij iedereen, maar humor kan veel bijdragen aan de vertrouwelijkheid, die ontstaat als het klikt tussen arts en patiënt.”

Vermeulen: “Jij bent ook vrij fysiek ingesteld.”

Fijnheer: “Ik zeg niet dat dat moet, maar voor mij hoort dat erbij: soms iemand een knuffel geven, een schouderklop of een high five.”

Vermeulen: “Soms was ik zo angstig of onzeker en dan pakte jij me gewoon even vast. Dat hielp me enorm. Ik kan dat lang niet van iedereen hebben. Bij jou klopte dat op een of andere manier. Het geeft een gevoel van kameraadschap. Als ik erover nadenk is het heel bijzonder om dat met je arts te hebben, vind je niet?”

IMG_8678Fijnheer: “In levensbedreigende situaties valt de hiërarchie tussen arts en patiënt vaak geleidelijk weg. Het vormelijke laagje gaat eraf. Aan de ene kant ben ik de dokter, maar ik ben ook gewoon een mens die jou heel vaak ziet en met je meeleeft. Als de kanker terugkomt, vind ik dat ook gewoon K.”

Vermeulen: “Dat heeft ook grenzen. Je moet als arts niet gaan meehuilen. Dat had ik vreselijk gevonden.”

Toen ze na een reeks behandelingen naar het ziekenhuis kwam voor de uitslag, zag ze dat Fijnheer en de cardioloog het heel moeilijk hadden. “Ik vermoedde dat het grondig mis was en begon direct te ratelen: dat ik misschien te fanatiek had gesport of te weinig rust had genomen.” Fijnheer liet haar even doorrazen, en zei toen: “Ik begrijp het, maar er is iets anders aan de hand: de uitslag niet goed. Verder kunnen we er helaas nog niets over zeggen. Het is nu zo, we moeten afwachten.”

Vermeulen: “Dat was moeilijk, maar ik had het wel nodig: een dokter die niet gaat sugar coaten en duidelijk zegt wat er aan de hand is.”

Fijnheer: “Huilend over tafel hangen, dat kan niet. Soms is dat lastig, dan ben ik ook emotioneel. Vooral als ik voorzie dat het niet goed afloopt. Te sterke emoties mag de patiënt niet merken, vind ik. Als ik mezelf daarop betrap, doe ik snel een oefening om mezelf af te leiden en te herpakken. We doen het met elkaar, maar ik blijf wel de dokter, die overzicht houdt, alles op een rijtje probeert te zetten en rust blijft uitstralen. Zodat we samen kunnen bespreken wat de beste opties zijn voor het vervolg.”

Vermeulen: “Ik wilde altijd gelijk weten: is het goed of niet? Meteen ter zake, zodat we konden praten over wat op dat moment het belangrijkste was. Maar ik had ook heel veel geruststelling nodig. En soms had ik alleen maar behoefte om te ratelen om mijn paniek te onderdrukken. Ik denk dat ik best een ingewikkelde patiënt was. ”

Fijnheer: “Dat valt wel mee, hoor. Iedere patiënt is anders. Het gaat erom dat je dat goed aanvoelt als dokter, dat je steeds opnieuw kijkt wat werkt en daar samen een manier voor vindt. Maar dat gaat niet vanzelf. Soms loopt het scheef.”

Vermeulen: “Eén keer zei je iets waardoor ik dacht dat het helemaal mis was. Ik schrok vreselijk: hier moet ik drie weken van bijkomen, schoot door me heen.”

Fijnheer: “Soms is mijn concentratie niet helemaal goed en zeg ik iets wat ik niet goed heb doordacht. Het is belangrijk dat er zoveel wederzijds vertrouwen is dat patiënten me daar op aan durven te spreken, zodat ik mezelf kan corrigeren. Heb jij dat toen gedaan, trouwens?”

Vermeulen: “Nee, ik viel stil. Gelukkig merkte je dat op. ‘OK, dit ging niet goed’, zei je. ‘Laten we opnieuw beginnen.’ Dat was een geruststelling. Maar ik denk dat het klopt dat wederzijds vertrouwen het allerbelangrijkste is als het gaat over de klik tussen arts en patiënt. Echt open en eerlijk zijn, dat helpt enorm. Van beide kanten. Als je kanker hebt, zit je in een achtbaan en moet je het volhouden. Het is zo fijn als je het vertrouwen voelt, dat je in goede handen bent. Dat is minstens zo belangrijk als de medische behandeling.”

Eén gedachte over “Kameraadschap, zonder mee te huilen”

  1. Mooi verhaal! Daar gaat het om . Ik voel herkenning heb ook al tien jaar een arts waarin ik vertrouwen heb .is de uitslag goed dan is dat niet genoeg ….o ja jij wilt het zien he? Kijk maar en dan laat hij met monitor zien waar we t over hebben.echt top ! Dat gun je iedereen!😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *